Het is vrijdagavond 19u terwijl ik deze weblog begin te schrijven. Ik zit al bijna 5 uur onafgebroken te lezen op mijn veranda en geniet van mijn goede vrij(e)dag. Ik ben al de hele dag in een emotionele stemming waarbij ik me afwisselend droevig en weemoedig voel, omdat ik voor het eerst in 2 maanden alleen ben. Vanaf eind januari heb ik vrijwel continu bezoek gehad, waarvan ik de laatste 4 weken weer even mocht samenwonen met Laura. Niet gek dus dat ik me even eenzaam voel en de behoefte voel aan contact met het thuisfront.

Die neiging onderdruk ik grotendeels, maar wel zoek ik op hoe duur een ticket zou zijn om “even” op en neer te gaan. Zeker nu de voorbereidingen voor Paaspop in volle gang zijn, lijkt het me heerlijk weer even thuis te zijn en overvalt het gevoel me dat een jaar van huis erg lang is. Terwijl ik mijn boek lees en dit alles overpeins moet ik plots aan een bijzondere ervaring van vandaag denken.

In tegenstelling tot andere keren voel ik nu de aandrang om het op te schrijven. In de wetenschap dat het verhaal als een tranentrekker over kan komen en dat het misschien in een cliché is, deel ik het toch graag met jullie omdat ik het een erg mooie ervaring vind. Ik vrees alleen wel dat het weer een medisch verhaal is, volgende keer doe ik dat anders 🙂

Ontroerende zussen

Donderdag werd ik door een van de Nederlandse coassistenten gevraagd om mee te kijken met een AIDS patiënte met tuberculose. De coassistent had tot hij 2 weken geleden naar een andere afdeling ging voor deze jonge vrouw gezorgd, maar was door haar oudere zus opnieuw aangeklampt of hij alsjeblieft kon kijken naar haar zus. Nadat hij dit had gedaan kwam hij tot de slotsom dat de prognose erg slecht was en had ondersteunende maatregelen afgesproken.

Zijn vraag aan mij was of wij samen het begeleidende gesprek nogmaals konden voeren. Zijn eigen taalbarrière was te groot en het vertrouwen in de (leerling) verpleegkundigen te klein, om te vertrouwen op een goed gesprek. Vermoeid na een zware dienst gevolgd door een gewone werkdag, besloten we dat het beter was voor mij en de patiënte om het een dag uit te stellen tot goede vrijdag. Een nationale feestdag in Tanzania die ik eigenlijk vrij heb, maar waar ik bij voorbaat een mooie gelegenheid in zag een paar van mijn speciale, vaak lang liggende, patiënten in alle rust te zien.

Na twee heerlijke bakken koffie en een goed ontbijt ging ik tegen half elf naar de afdeling interne geneeskunde om samen met de coassistent zijn patiënte te zien. Toen ik daar aankwam bleek ik de oudere zus van de patiënte, een oud uitziende pittige dame van ongeveer 60,  al min of meer te kennen. Deze Afrikaanse moeke had mij meermaals hartelijk en op vaak komische wijze begroet wanneer ik de afdeling passeerde als ik van het ochtendrapport naar de verloskamers liep.

Doordat ik in mijn eigen tijd in het ziekenhuis was en geen verplichtingen had, kon ik in alle rust de patiënt analyseren en de nodige vragen stellen over het ziektebeloop. Terwijl ik hieraan begon richtte ik mij tot de patiënt en vroeg haar naar haar naam en hoe het met haar ging. Een vraag die ik in de drukte vaak vergeet te stellen. Dat patiënten hier ook niet aan gewend zijn bleek uit haar enigszins verwarde blik en dat ik de vraag moest herhalen voordat haar zus voor haar antwoordde.

Terwijl ik naast de patiënte op het bed zat ondervroeg ik met name de zus, die de regie duidelijk stevig in handen had. Vragen over het beloop van de ziekte, de medicatie die sinds opname wel of niet gebruikt was en wat de huidige problemen waren werden een voor een beantwoord. Af en toe richtte ik mij ook tot de ernstig verzwakte en vermagerde patiënte, die het allemaal oké vond wat wij bespraken.

Concluderend was de algehele conditie ondanks adequate behandeling van tuberculose flink verslechterd. Ze at nauwelijks, was ernstig verzwakt en kon sinds 2 weken niet meer zelfstandig overeind komen of lopen. Daarnaast had ze pijn bij het slikken, buikpijn en pijn in de genitale streek. Dit laatste was reeds bekeken door de coassistent, welke had vastgesteld dat er een abces zat.

De vraag of ze was afgevallen konden ze niet beantwoorden omdat het niet meer gewogen was. Dat moesten we dus even doen. De weegschaal werd snel tevoorschijn gehaald en de twee familieleden deden een poging de patiënte overeind te zetten. Nadat ik dit even aangekeken had, kon ik niet langer aanzien hoe de patiënte tegen heug en meug overeind gezet werd. Dus koos ik voor een pragmatischer oplossing, tilde de patiënte op en ging samen met haar op de weegschaal staan.

Toen ik de patiënte vervolgens voorzichtig op bed legde, zag ik tot mijn verbazing dat ze een traan in haar ogen had staan. Een uiterlijk vertoon van emotie of pijn wat je zelden ziet in Tanzania, waar emoties in stilte gedragen worden. Terwijl ik de rest van het lichamelijk onderzoek afwikkelde vroeg ik mij nog steeds verbaasd af of ik haar toch pijn had gedaan bij de exercitie van het wegen.

De diagnose abces kon ik bij het onderzoek direct bevestigen, dus verzamelde ik de spullen die nodig waren om het abces te ontlasten. Gewapend met een spatbril tegen spatten zette ik de verdoving, waarbij ze enkele kreten van pijn en onwillekeurige bewegingen niet kon onderdrukken. Voordat ik met het mes aan het werk ging, richtte ik mij tot de patiënte: “Het is heel belangrijk dat je nu niet beweegt, omdat ik een mes in mijn hand heb. Als je nu plotse bewegingen maakt is dat voor jou gevaarlijk, maar ook voor mij.”

De patiënte keek mij aan en wekte de indruk het begrepen te hebben en bewoog niet meer. Ook al had ze dat gewild, had ze dat waarschijnlijk niet gekund. Direct nadat ik dit had gezegd namen de twee familieleden haar benen beschermend in een houdgreep en werd herhaald wat ik had gezegd met nadruk op dat het gevaarlijk voor de dokter was. Er werd door iedereen instemmend geknikt en ik voelde me volledig veilig toen ik een flinke snee zette in het abces waarbij de patiënte doodstil bleef liggen, terwijl ze zacht kermde van de pijn.

Nadat het moeilijkste gedeelte achter de rug was ging ik rustig alles bespreken met de coassistent en maakten we een volledig behandelplan, gericht op vergroten van comfort maar vooral ook de overlevingskansen aangezien tijdens het gesprek was gebleken dat de patiënte pas een week in plaats van jaren AIDS medicatie gebruikte, waardoor ze plots een veel betere prognose had.

Het plan werd vervolgens uitgebreid door ons doorgenomen met de zus en de patiënte. Pijnstilling om de pijnen te verminderen, antischimmel medicatie tegen de keelpijn, Vitaminen en antibiotica voor de weerstand en de wondzorg. Een voor een bespraken we het en werden onze voorstellen aangenomen. Ook de maagsonde voor voeding wat veel patiënten uit angst of weerzin weigeren, werd door de patiënte graag geaccepteerd.

Bijna een uur nadat we binnen waren gekomen maakten we onder eindeloos veel dankbetuigingen aanstalten om naar de volgende patiënt te gaan. Bijna zou ik vergeten de patiënte die weer in stilzwijgen in bed lag op persoonlijke wijze gedag te zeggen. Dankzij de coassistent gaf ik haar toch nog een hand en zag ik weer de tranen in haar ogen staan en werd mijn eerdere vermoeden bevestigd dat het tranen van emotie waren en niet van pijn.

Ik vermoed dat de patiënte volledig overdonderd was door de uitgebreide tijd en aandacht die wij haar gaven. Een groot contrast met de gewone gang van zaken nadat zij 2 maanden in het ziekenhuis lag, waar artsen meestal 5 minuten tijd hebben voor een patiënt en hierdoor ziekte in plaats van patiënt georiënteerd zijn. Een “luxe” die ik ook vaak niet heb in de hoge werkdruk.

De reden dat ik deze ervaring zo bijzonder vind komt door de mix van emotie. Terwijl ik enerzijds het liefst thuis zou zijn om samen met Laura en mijn vrienden Paaspop te vieren, voel ik tegelijkertijd op indringende wijze hoe ik hier voor mensen een groot verschil kan maken. Een mooi gevoel om het paasweekend mee in te gaan.

845 totaal aantal vertoningen, 1 aantal vertoningen vandaag

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *