Op 7 september is het zover; het derde benefietfeest van stichting vrienden Sengerema Hospital. Hoewel we graag de nadruk leggen op het feest en een gezellige dag, vinden we het ook belangrijk te vertellen over het hoe en waarom van het feest.

Wat ons betreft is het verhaal groter dan individuele patiënten, artsen of zelfs ziekenhuizen. Met dit feest lanceren we het vervolg op het eerste NICU project waarmee we willen veilig stellen wat we bereikt hebben en de successen uitbouwen waar kan.

Om dat goed te begrijpen is het belangrijk dat duidelijk is wat het belang en de rol is van de NICU binnen het ziekenhuis van Sengerema. Daarom bij deze een longread over de NICU waarin we meer uitleggen over het verleden, heden en toekomst van de NICU.

De aanloop naar de NICU

Het is goed om te weten dat het ziekenhuis in Sengerema al lange tijd een voorloper is op het gebied van zorg voor te vroeg geboren baby’s. Al sinds de jaren negentig is er een speciale kamer voor prematuur geboren kinderen. Vanzelfsprekend voor ons, maar in Tanzania een unieke situatie waar vaak geen of weinig zorg is voor pasgeboren baby’s. Een duidelijk teken van de grote betrokkenheid die het ziekenhuis altijd heeft gehad met deze kwetsbare patiënten.

Deze betrokkenheid was ook de basis van het streven van het ziekenhuis om in samenwerking met het Amerikaanse “TOUCH foundation” de sterfte bij zwangere vrouwen en pasgeboren baby’s omlaag te krijgen. In de periode 2013 – 2015 werd er flink geïnvesteerd in infrastructuur om de 10.000(!) bevallingen per jaar in goede banen te leiden. Door onder andere betere verloskamers, een speciale operatiekamer voor verloskunde en training van personeel kon de zorg rondom de bevalling sterk verbeteren. Desondanks bleef de sterfte onder pasgeboren kinderen hoog.

Hiervoor waren meerdere oorzaken aan te wijzen. Een belangrijke factor was gebrek aan kennis over zieke pasgeborenen. Doordat veel verpleegkundigen en artsen niet wisten wat onderliggende oorzaken waren voor ziekte en sterfte rond de geboorte en zich niet bewust waren van de behandelmogelijkheden, konden zij niet juist handelen wanneer dat nodig was. Hierdoor werden veel kinderen niet, te laat, of verkeerd behandeld met als gevolg dat meer dan 1 op 20 kinderen stierf rond de geboorte.

Zonder een goed bewustzijn hierover is het moeilijk, zo niet onmogelijk om deze situatie te veranderen. Hoewel dat voor veel mensen moeilijk voor te stellen is, was het overlijden van kinderen rond de geboorte hierdoor iets wat “erbij hoort”. Patiënten, verpleegkundigen en artsen wisten niet beter dan dat het zo was en accepteerden het zoals het kwam.

Door de investering in trainingen, waren het bewustzijn en de kennis echter sterk gegroeid. Daardoor kwamen wij in veel opzichten in een gespreid bed toen wij met de plannen voor een NICU bij het ziekenhuis aanklopten. Er was door de uitbreidingen voldoende ruimte beschikbaar, het probleem werd erkent en het ziekenhuis was bereid tijd, energie en waar mogelijk ook geld en middelen in het project te steken. Daarnaast stonden ze open voor onze ideeën en expertise en andersom gold hetzelfde. Dit heeft direct de basis gelegd voor een goede en vruchtbare samenwerking op basis van wederzijds vertrouwen en respect.

Hoe start zet je een NICU op?

Het opzetten van de NICU was een grote uitdaging, niet in de laatste plaats omdat we het nooit eerder hadden gedaan. Wat het vooral lastig maakte was dat het opgezet moest worden in een omgeving waar nauwelijks kennis of ervaring was op dit gebied en er een chronisch tekort was aan geld en personeel. In verhouding tot de Westerse situatie zijn er 5-10x minder verpleegkundigen, artsen en ander zorgpersoneel op het aantal patiënten. Het budget voor medicatie en andere benodigdheden was en is nauwelijks voldoende om zelfs maar de meest basale zorg te leveren.

Het gevolg was dat de richtlijnen en protocollen waar we mee gewend waren te werken, nauwelijks gebruikt konden worden. We moesten het wiel opnieuw uitvinden. Het moest simpel, duidelijk en doeltreffend zodat het niet zou leiden tot een te grote werklast voor het personeel. Want een ding stond voorop; het moest vooral een duurzame en structurele oplossing zijn en niet een tijdelijk lapmiddel.

Om dit te bereiken was een goed plan nodig wat lokaal gedragen werd en wat niet afhankelijk zou zijn van onze aanwezigheid. Daarom hebben we continu samenwerking gezocht. Door enthousiaste en vaardige sleutelpersonen te betrekken en deel te maken van het team konden we vanaf de start samen bouwen en belangrijke keuzes gezamenlijk maken. In veel opzichten is het hierdoor een sterk lokaal gedragen afdeling geworden, waarbij verpleegkundigen hier harder werken en meer betrokken zijn dan op de meeste andere afdelingen.

Het erkennen en onderkennen van de uitdagingen op het gebied van personeel en beschikbare middelen heeft ervoor gezorgd dat we gefocust waren op het stellen van haalbare doelen. In de praktijk betekende dat wij ons moesten afvragen: “Wat kan één verpleegkundige doen tijdens een dienst?” Meer handen aan het bed was namelijk niet haalbaar. Als je je vervolgens realiseert dat de verpleegkundige in Tanzania bijna alles doet van opname tot en met ontslag en dat de arts vaak een bijrol heeft in het uitvoerende werk op de afdeling, kun je niet anders dan je nederig en bescheiden opstellen in je wensen.

Daarom besloten wij de protocollen simpel te houden en te focussen op hetgeen een groot verschil maakt; warmte, vocht, voeding, en lucht/zuurstof. Daarnaast werden baby’s vaak behandeld met antibiotica. Door hierop te focussen werd de aandacht en tijd vooral gestoken in eenvoudige maatregelen die de baby’s ondersteunden bij hun eigen herstel. Door het simpel te houden was het mogelijk om de zorg door de moeders te laten doen. De moeders behielden hierdoor hun centrale rol als verzorger en maakten het mogelijk om toch veel van de essentiële zorg te leveren.

Dit heeft geleid tot prachtige taferelen. Moeders krijgen onderwijs van de verpleegkundigen hoe ze voor hun premature of zieke kind moeten zorgen. Vervolgens zijn er de ervaren moeders die een rol als coach op zich nemen en onervaren moeders op sleeptouw nemen en helpen bij de zorg met raad en daad. Hierdoor

wordt de zorg gedeeld en blijft er ondanks de overweldigende drukte tijd over voor de verpleegkundige om medische handelingen te doen zoals infusen plaatsen, antibiotica geven, reanimatie of andere essentiële handelingen.

Door al deze gezamenlijke inspanningen zijn we er met zijn allen in geslaagd om een relatief goed functionerende afdeling neer te zetten met zeer beperkte middelen die nu alweer bijna 4 jaar draait. Met jaarlijks nog geen €10.000 steun vanuit SVSH wordt de afdeling geheel draaiend gehouden door het lokale team. Doordat we de afdeling een tot twee maal per jaar bezoeken en waar nodig opnieuw trainen blijft het kennis op niveau en blijven we betrokken en op de hoogte.

De huidige NICU

Vier jaar na de start is het tijd om een uitgebreide balans op te maken. En in grote lijnen durven we te zeggen dat we succesvol zijn. De afdeling draait nog steeds en vervult de rol die wij voor ogen hadden. Door de aanwezigheid van de NICU is er een vlotte doorstroom van de verloskamers naar een geschikte afdeling voor baby’s met problemen na de geboorte. Verpleegkundigen op de verloskamers worden ontlast en met dank aan de protocollen op de NICU kan medische zorg vlot gegeven worden.

Daarnaast zien we dat moeders met hun zieke baby’s van heinde en verre komen om zorg voor hun kind te krijgen. Soms is dit op initiatief van de patiënt, maar steeds vaker zien we formele verwijzingen vanuit de omringende klinieken. Een belangrijke erkenning van de kwaliteit en noodzaak van deze afdeling door omliggende instituten. Het is bijzonder om te zien hoe de afdeling in een korte tijd een essentiële schakel geworden is in de moeder-kind zorgketen in de hele regio.

Dankzij dit succes dient de NICU als prachtig voorbeeld hoe er met weinig middelen veel bereikt worden. Dit helpt om het bewustzijn over het belang en de haalbaarheid van neonatale zorg te vergroten bij patiënten en personeel, maar vooral ook de 200-300 studenten die jaarlijks klinische stages doen in het ziekenhuis. De inspanningen worden ook erg gewaardeerd door de overheid en andere hoogwaardigheidsbekleders. De NICU heeft daarmee een prominente rol verworven in het ziekenhuis.

Tegelijkertijd zien we hoe de NICU kraakt en piept onder het gewicht van het eigen succes. In 2014, voordat de NICU werd opgericht, waren er 500 opnames per jaar. De plannen en budgetten waren gebaseerd op dit aantal opnames of iets meer. In 2018 waren er uiteindelijk 1600 opnames en dat aantal groeit nog steeds. Dit zorgt voor een torenhoge werkdruk, overbezette bedden en dit leidt onvermijdelijk tot een lagere kwaliteit van zorg.

Terwijl het aantal patiënten alleen maar toeneemt is het aantal verpleegkundigen bijna gelijk gebleven. Er is helaas geen geld om meer verpleegkundigen aan te nemen. Deels wordt dit veroorzaakt doordat de zorg op de NICU gratis is. De consequentie van de gratis zorg is dat het ziekenhuis ondanks onze steun veel geld kwijt is aan de NICU. Hoewel we liever niet in economische termen denken, zorgt het ervoor dat het toch al krappe budget onder druk komt te staan en is het continu opletten dat de NICU geen negatieve invloed heeft op de rest van het ziekenhuis.

Ondanks deze belasting voor het personeel en het ziekenhuis blijft iedereen erg gemotiveerd om voor deze patiënten te blijven zorgen. Er moet echter wel wat gebeuren om deze overspannen situatie meer in balans te krijgen. De ruimte moet groter, er zijn meer bedden, couveuses, apparatuur en medicijnen nodig. Maar bovenal moeten we zorgen dat het personeel niet overbelast raakt en gemotiveerd blijft. Naast deze investeringen op de NICU is het de bedoeling dat de moeder-kind zorg over de volle breedte versterkt wordt met betere zorg tijdens de zwangerschap en bevalling zodat we kunnen voorkomen dat kinderen op de NICU belanden.

Stichting Vrienden Sengerema Hosptial heeft de ambitie om het ziekenhuis te ondersteunen bij deze projecten. Om dit alles mogelijk te maken werken we samen met stichting “Little Superheroes” en hopen we daarnaast weer met Wilde Ganzen samen te werken. Samen met deze partners, onze eigen donateurs en via de samenwerking met het Amalia kinderziekenhuis moet het ons lukken om het ziekenhuis in Sengerema.

Het feest is in feite de aftrap van deze grootse plannen.

Dus waarom dit feest?

Omdat niet één kind zou mogen overlijden omdat simpele basale zorg niet beschikbaar is. Alle mensen en kinderen voorop hebben recht op basale zorg. Zorg die zo simpel en zo basaal is, maar tegelijkertijd onmisbaar kunnen ze leveren, maar niet zonder onze steun.

Omdat “onze” verpleegkundigen en artsen in Tanzania helden zijn die onder de moeilijkst denkbare omstandigheden zich dagelijks uitsloven om deze afdeling draaiend houden. Hen in de steek laten is geen optie en zij verdienen het dat wij voor hen knokken zodat zij hun werk goed kunnen blijven doen.

Omdat de afdeling implodeert onder het eigen succes als we niks doen. Dit succes verdient het om uitgebouwd te worden zodat het steeds meer mensen kan helpen en er steeds meer bewustzijn komt over de mogelijkheden voor goede zorg rond de geboorte.

Maar bovenal omdat we onze successen willen vieren en vooruit willen kijken naar een mooie toekomst waarin deze afdeling blijft draaien en mensen blijft inspireren, patiënten blijft helpen en op een bescheiden manier toch een grote invloed kan hebben.

Helpen jullie mee?

Meld je aan voor het feest via info@stichtingvsh.nl

 

 

 

 

 

 

2,102 totaal aantal vertoningen, 4 aantal vertoningen vandaag

Bijna 9 maanden nadat ik ben weggegaan en ruim een jaar nadat het eerste idee is ontstaan, is het hoog tijd meer te vertellen over het grootste project (van mij én Stichting VSH) waar ik me mee bezig houd. Tijd voor Pils for Pills.

Het begon allemaal een jaar geleden toen ik aan het filosoferen was over wat ik zou kunnen bijdragen in Sengerema als tropenarts. Mede dankzij onze relatief lange en intensieve betrokkenheid (in vijf jaar tijd zijn ik en Laura zes keer in Sengerema geweest) was mij opgevallen dat het ziekenhuis heel veel van hun medicatie bij één apotheek kochten.

Niet gehinderd door enige kennis op het gebied van inkoopbeleid, voorraadbeheer of überhaupt de organisatie in Tanzania bedacht ik: “Dat kan vast beter, daar is vast geld te besparen!”

Op ons jaarlijkse hutje op de hei weekend (in het pittoreske Uitgeest, in mijn eigen woonkamer) bracht ik mijn idee ter sprake. Samen met het idee om een feest te geven een krat bier en wat flessen wijn werden dingen plots dingen samengevoegd en ontstond het idee; We geven een feest en we noemen het “Pillen voor pillen”.

Hoewel deze naam erg tot de verbeelding sprak, leek het ons toch lastig om een locatie te vinden die akkoord zou gaan met zo’n naam en maakten we ons toch ook wat zorgen over het publiek we daarmee zouden aantrekken. Dus filosofeerden (dronken) we nog even verder en werd plots de naam “Pils for Pills” geboren. Vanaf dat moment was er geen weg meer terug en moest zowel het feest als het project doorgaan.

Over het feest maakte ik me geen zorgen, daarvoor hebben we Hilde. Hilde heeft samen met haar netwerk het vorige feest (Drink voor water, 2,5 jaar geleden) fantastisch georganiseerd en ook dit jaar was zij na een halve zin alweer overtuigd van het doel en begon zij met plannen voordat ik was uitgesproken. Behalve dat zij het feest organiseert gaat zij mij volgend jaar ook opvolgen in Sengerema als tropenarts!!!

Het project

Aan mij de taak om legitimiteit te geven aan onze reden voor een feestje. Nadat ik in Sengerema was aangekomen en aangaf dat ik mij graag daarmee bezig wou houden, moest ik voor de zoveelste keren denken aan een quote van Paulo Coelho uit de alchemist:

“Je eigen legende waarmaken is de enige verplichting van de mens. Alles is één. En als je iets wilt, spant het hele universum samen om ervoor te zorgen dat je je droom verwezenlijkt”

Nadat ik van ons plan had verteld werd ik namelijk direct uitgenodigd om onderdeel te worden van de procurement committee en de pharmaceutical

committee. En daarnaast bleek ook dat zij al de eerste (voorzichtige) stappen hadden gezet om het inkoopbeleid te wijzigen.

In de maanden die volgden heb ik mij verdiept in wat er zoal gekocht was en heb ik de betaalde prijzen vergeleken met de prijzen van andere apotheken. Uit deze analyse bleek dat er 36,7% bespaard kon worden op medicatie als het slimmer werd ingekocht. Per jaar zou dit zo’n €100.000 (!!!) kunnen schelen.

Nadat ik dit aan het management en de andere comités had gepresenteerd spande het universum weer samen (dank je universum). Want juist op dit moment kwam er een aantal grote bedragen tegelijk binnen, waardoor de schuld werd gereduceerd tot “slechts” €25.000. Deze relatief lage schuld in combinatie met de beloofde steun van stichting VSH creëerde zowel mentaal als fysiek de ruimte om over andere inkoop-strategieën na te denken.

In de maanden die volgden heb ik het volledig vertrouwen en medewerking gekregen van iedereen in het ziekenhuis en heb ik bijna de vrije hand gekregen om te bestellen wat er nodig was op de plek waarvan ik dacht dat we het best konden halen. Natuurlijk flink ondersteund en geholpen door alle mensen hier.

Dit heeft er toe geleid dat er al 5 maanden geen tekort is geweest aan de meest essentiële medicatie en gebruiksartikelen zoals handschoenen. De besparing op alles wat we in deze periode hebben gekocht is meer dan €50.000 (vergeleken met wanneer we dezelfde spullen voor de prijzen

Voordat ik verder ga is het goed om uit te leggen hoe de situatie de afgelopen jaren was in Sengerema. Want ondanks dat er goede redenen zijn om van inkoopbeleid te veranderen, waren er ook (dwingende) redenen om niet te veranderen.

Het ziekenhuis in Sengerema is net al veel andere ziekenhuizen flink geraakt door de financiële crisis. Door onaangekondigde bezuinigingen, afgenomen ontwikkelingshulp en een groeiende vraag verkeert het ziekenhuis al jaren in zwaar weer. De steun van officiële overheidsfondsen komt standaard te laat waardoor het ziekenhuis het vaak maanden zonder hulp van buitenaf moet doen.

Dit in combinatie met dat de helft of meer van alle patiënten via overheidsregels uitgezonderd zijn van betaling omdat ze tot een groep van kwetsbare patiënten horen (o.a. zwangere vrouwen, kinderen onder de vijf, HIV en Tuberculose patiënten), heeft ervoor gezorgd dat het ziekenhuis zich regelmatig diep in de schulden moest steken om te zorgen dat zij zorg konden blijven leveren.

Dit heeft geleid tot een neerwaartse spiraal waarbij het ziekenhuis gedwongen was om te kopen bij de leverancier waar zij het meeste krediet konden krijgen in plaats van de plek waar de medicatie het goedkoopst was. Als je eenmaal een flinke schuld hebt opgebouwd is het bijna onmogelijk om uit deze neerwaartse spiraal te ontsnappen, omdat er nooit genoeg geld is om de schulden af te lossen. In de praktijk heeft dit ervoor gezorgd dat er een continue schuld was en dat veel essentiële medicatie en zaken zoals infuusvloeistoffen gedurende 3-5 maanden per jaar nauwelijks te verkrijgen waren.

van vorig jaar hadden gekocht) en afdelingen draaien een stuk beter. Tot slot zijn de uitgaven per maand van ruim € 30.000 per maand omlaag gegaan naar minder dan € 20.000 per maand. Wat mij betreft indrukwekkende prestaties die we met het team bereikt hebben en waar ik stiekem ook wel een beetje trots op ben.

Desondanks zijn de schulden opgelopen naar zo’n €65.000. Dit lijkt dramatisch, maar gelukkig valt het relatief mee. Als je alle achterstallige betalingen vanuit de overheid, verzekering en andere hoeken mee zou tellen is de schuld in feite gereduceerd tot zo’n €15.000.

Helaas hebben wij aan dat soort relativeringen helemaal niets wanneer onze leveranciers weigeren om te leveren omdat de schulden te hoog zijn. Ondanks de successen blijft de continuïteit van deze vooruitgang bedreigd door de onregelmatige inkomsten. Gelukkig kon stichting VSH te hulp schieten met een donatie waardoor de continuïteit weer twee maanden gewaarborgd is.

De uitvoering en de doelen

Dat ondanks de grote winsten die we hebben geboekt de schulden toch op zijn gelopen, laat zien hoe kwetsbaar het systeem is. Het ziekenhuis is op dit moment nog altijd erg afhankelijk van onregelmatige inkomsten en het is ondanks de besparingen een enorm gevecht om te waarborgen dat zorg geleverd kan worden. En daarom is het zo belangrijk dat wij ons hiervoor inzetten. Met deze eenmalige steun voor medicatie en andere veranderingen slaan wij de brug die nodig is om te zorgen dat het ziekenhuis in de toekomst zelfstandig op een goed niveau kan functioneren.

Met het feest en (hopelijk) via andere kanalen zamelen we geld in om schulden te reduceren, een buffer van drie maanden op te bouwen, logistiek en organisatie te verbeteren. Dit alles heeft tot doel dat de continuïteit van dit project gewaarborgd wordt. Met als doel dat het ziekenhuis nooit meer in de intrieste situatie komt waarbij de familie van patiënten weggestuurd worden om medicatie, infusen of handschoenen te kopen.

Als wij het voor elkaar krijgen om dit project goed van de grond te krijgen

  • Besparen we €50.000 per jaar
  • Maken we het werk van alle mensen in het ziekenhuis een stuk makkelijker en leuker
  • Garanderen we continue beschikbaarheid van medicatie en dus continuïteit van zorg
  • Maken we het ziekenhuis een stuk onafhankelijker van overheid en leveranciers
  • Geven we het ziekenhuis de mogelijkheid om tijdig te reageren op veranderingen
  • Maken we vooral heel veel mensen blij en beter voor veel minder geld

    Zelf heb ik al toegezegd dat ik de komende jaren over het project zal waken en dat ik de mensen hier zal blijven ondersteunen om de organisatie goed op orde te krijgen/houden.

Tot slot: een oproep

Zoals iedereen wel zal begrijpen is dit een project wat me enorm aan het hart ligt. Eindeloos veel uren en energie heb ik al gestoken in het aan analyseren, berekenen, onderzoek doen en het aan elkaar knopen van de eindjes. En zoals Felix van Lammeren (chirurg van het Slingeland die in September is geweest) al zei; “De eindjes zijn hier heel kort”.

Ik ben trots op wat we tot nu toe bereikt hebben; op alle mensen hier, die ondanks alle uitdagingen mij het vertrouwen en de medewerking geven die ik nodig heb. En op onze stichting, die in tijden van nood precies datgene doet waarvoor we de stichting ooit begonnen zijn; met een kritische blik bekijken wat er nodig is en dan zorgen dat het kan gebeuren.

Voor dit project kunnen we alle hulp gebruiken die we kunnen krijgen. Er is veel gebeurd, maar er moet nog veel gebeuren. En ik hoop dat we daar veel hulp bij gaan krijgen.

Dus mijn oproep:

  • Kom naar Pils 4 Pills en meld je aan via penningmeester@stichtingvsh.nl
    Naast de op de poster vermelde kaarten zijn er ook sponsorkaarten van €100 voor diegenen die extra willen sponsoren.
  • Zorg dat je vrienden, familie en collega’s meekomen naar Pils 4 Pills. Als je zelf niet kunt, mogen ze ook alleen komen.
  • Word donateur van Stichting Vrienden Sengerema Hospital en draag structureel bij om de mensen in Sengerema menswaardige zorg te geven. (Voor het gemak heb ik het incassoformulier bijgevoegd 😉 )

430 totaal aantal vertoningen, geen vertoningen vandaag

Over de helft!!!

Het is ongelofelijk hoe hard de tijd voorbij vliegt terwijl ik in Sengerema werk. Ik ben inmiddels over de helft van mijn tijd hier en heb in gedachten tientallen zo niet honderden verhalen en ideeën verzameld die ik zou willen vertellen. Zoals jullie gemerkt hebben, is daar weinig van terecht gekomen.

De reden daarvoor zullen de meesten wel geraden hebben; het is achterlijk druk in het ziekenhuis en met alle projecten die ik erbij doe, ben ik blij als ik een dag niet achter de computer zit en gewoon lekker kan sporten of een biertje kan doen (met name het laatste).

Mijn werkdag begint meestal om half acht en gaat door tot het weer half acht is, waarna ik vaak nog een paar uur werk aan projecten van het ziekenhuis en de stichting. Ook in het weekend ga ik vaak nog een paar uur het ziekenhuis in en werk ik aan de projecten. Daarnaast heb ik een keer per 2-3 weken dienst. De diensten zijn 72uur continu en worden gedaan naast het gewone werk, met als gevolg dat je drie dagen lang gemiddeld 4 uur per nacht slaapt terwijl je de overige uren werkt. Al met al zorgt dat voor een gemiddelde werkweek van 70-100 uur.

Ondanks dat heb ik regelmatig tijd voor ontspanning en mensen die op bezoek komen. En wat bezoek betreft heb ik niet te klagen; tot nu toe heb ik ongeveer iedere maand bezoek gehad (in totaal 10 mensen exclusief het chirurgisch uit Doetinchem) en dus een vrijwel continue aanvoer van kaas en ander lekkers (ik heb serieus nooit zo veel kaas gegeten als nu).

Laura is inmiddels ook al twee keer geweest en elke keer als we samen zijn is het weer een feestje. Cadeautjes voor elkaar, bijkletsen over de dingen die we meegemaakt hebben maar vooral samen zijn en van elkaar genieten. Ik denk dat dat een van de dingen is die ik ondanks alles onderschat heb. Het verlangen om bij elkaar te zijn is groot en wordt alleen maar groter. Wat dat betreft is het heerlijk om over de helft te zijn en kan ik niet wachten op de dagen dat we weer echt samen zijn.

Verscheurd

De vraag is nu natuurlijk of wat ik hier doe het gemis waard is. En deze vraag is alleen maar moeilijker geworden, omdat het gemis veel groter is dan ik vooraf had kunnen voorstellen. Tegelijkertijd is de drang om hier te zijn en bij te dragen aan de patiëntenzorg en structurele verbetering van het ziekenhuis ook veel groter geworden dan ik me had kunnen voorstellen.

Hoe ontzettend diep mijn werk hier me raakt realiseer ik me pas volledig sinds de afgelopen weken. Overdenkend wat ik tot nu toe heb gedaan, wat ik meegemaakt heb en wat ik nog wil doen, merk ik dat ik diep ben meegezogen in de problemen van de mensen hier. Zowel op individueel niveau als op overstijgend niveau merk ik dat de problemen van Sengerema me aan het hart gaan.

Bijna dagelijks maak ik iets mee wat me tot tranen zou kunnen roeren als ik de tijd zou nemen om erbij stil te staan. Ofwel omdat het zo prachtig is dat je tot tranen geroerd bent, ofwel omdat het zo verschrikkelijk is dat je geen woorden kunt vinden om de ellende onder woorden te brengen. Verhalen van diepe ellende, verlies en terminale ziekte wisselen elkaar in sneltreinvaart af met verhalen van moed, hoop, dankbaarheid en liefde. Wanneer ik wel de tijd neem zoals nu, krijg ik alsnog tranen in mijn ogen en realiseer ik me hoe bijzonder het is om op deze plek te werken en hoe belangrijk het werk is wat we hier doen.

Een van de gekke dingen aan dit alles vind ik dat het bijna onmogelijk is om dit over te brengen aan een ander. In veel opzichten is het te vergelijken met verschil tussen horen dat de zus van je buurman een ongeneeslijke ziekte heeft of dat je eigen gezinslid het heeft. De fysieke afstand en de grote verschillen tussen hier en Nederland maakt dat het weinig emotie teweeg brengt bij anderen, terwijl ik er midden inzit en continu word meegezogen in het leven van hier.

Mede om die reden ben ik ook zo ontzettend dankbaar voor alle bezoeken die mijn vrienden en familie brengen. Op die manier kan ik de twee werelden toch met elkaar verenigen en kan ik straks een groot stuk van wat ik hier meemaak meenemen naar huis en delen met anderen.

TanzaNiek

Dat ik enige impact heb, kan ik zeker van zijn. Afgelopen week heb ik namelijk een Tanzaniaantje van 2.15 kilo naar huis ontslagen nadat ik 3 weken voor hem en zijn moeder had gezorgd. Op zich is dat niet zo bijzonder, maar het bijzondere eraan was dat het kindje uit dank naar mij vernoemd is (volledige naam Niek Mandela), omdat ik intensief voor het kindje en moeder had gezorgd rond de bevalling. Wat mij betreft de grootste eer die een moeder je kan geven en een bevestiging dat het werk wat ik hier doe gewaardeerd wordt.

Ook op grotere schaal merk ik dat mijn aanwezigheid hier impact heeft. Ik leid een aantal grote projecten waaronder het opstarten van een couveuseafdeling (een NICU) en de reorganisatie van het inkoopbeleid en uitgifte van medicatie. Daarnaast ben ik nog met een aantal andere projecten bezig, die nog in de beginfase zitten.Het opzetten van de couveuse afdeling is nu echt begonnen. Met Stichting VSH hebben we inmiddels genoeg geld opgehaald voor de renovatie, medische apparatuur en twee verpleegkundigen voor drie jaar. De apparatuur hebben we grotendeels in Nederland aangeschaft en is inmiddels onderweg met een nieuwe container vol materialen voor Sengerema. Afgelopen week zijn de sloophamers ter hand genomen en is er begonnen met de renovatie die noodzakelijk was voor het starten van de NICU. Waarschijnlijk kunnen we de NICU in oktober officieel openen.

De reorganisatie van het inkoop en uitgifte beleid is voor velen misschien wat abstracter, maar het komt er op neer dat het ziekenhuis met ondersteuning van Stichting VSH (hopelijk later ook van anderen) het aankoop en uitgifte beleid aanpast. Concreet houdt dit in dat medicatie en verbruiksartikelen zoals infusen en verbandmaterialen op een strategische manier worden ingekocht en dat vrije uitgifte van een aantal medicamenten beperkt wordt. Deze maatregelen samen gaan per jaar een enorme (mogelijk tot honderdduizend euro) besparing opleveren en vooral ook zorgen voor een betere continuïteit van zorg. De eerste stappen hiervoor zijn nu genomen, maar het is nog zoeken naar externe hulp naast de steun van SVSH om de stappen die nodig zijn voor deze nieuwe aankoopstrategie te financieren.

Tot slot

Al met al kan ik zeggen dat het werk me fantastisch bevalt en dat ik veel meer gedaan krijg in een jaar dan ik had durven hopen voordat ik ging. Ik krijg alle medewerking en steun die ik nodig heb vanuit hier, maar ook vanuit Nederland. Ik ga soms door diepe dalen, maar leef meestal op het top van mijn kunnen en geniet met volle teugen. Meer dan ooit ben ik ervan overtuigd dat dit werk mij op het lijf geschreven is en dat het enorm belangrijk is dat we het ziekenhuis hier ondersteunen.

324 totaal aantal vertoningen, geen vertoningen vandaag

Het is vrijdagavond 19u terwijl ik deze weblog begin te schrijven. Ik zit al bijna 5 uur onafgebroken te lezen op mijn veranda en geniet van mijn goede vrij(e)dag. Ik ben al de hele dag in een emotionele stemming waarbij ik me afwisselend droevig en weemoedig voel, omdat ik voor het eerst in 2 maanden alleen ben. Vanaf eind januari heb ik vrijwel continu bezoek gehad, waarvan ik de laatste 4 weken weer even mocht samenwonen met Laura. Niet gek dus dat ik me even eenzaam voel en de behoefte voel aan contact met het thuisfront.

Die neiging onderdruk ik grotendeels, maar wel zoek ik op hoe duur een ticket zou zijn om “even” op en neer te gaan. Zeker nu de voorbereidingen voor Paaspop in volle gang zijn, lijkt het me heerlijk weer even thuis te zijn en overvalt het gevoel me dat een jaar van huis erg lang is. Terwijl ik mijn boek lees en dit alles overpeins moet ik plots aan een bijzondere ervaring van vandaag denken.

In tegenstelling tot andere keren voel ik nu de aandrang om het op te schrijven. In de wetenschap dat het verhaal als een tranentrekker over kan komen en dat het misschien in een cliché is, deel ik het toch graag met jullie omdat ik het een erg mooie ervaring vind. Ik vrees alleen wel dat het weer een medisch verhaal is, volgende keer doe ik dat anders 🙂

Ontroerende zussen

Donderdag werd ik door een van de Nederlandse coassistenten gevraagd om mee te kijken met een AIDS patiënte met tuberculose. De coassistent had tot hij 2 weken geleden naar een andere afdeling ging voor deze jonge vrouw gezorgd, maar was door haar oudere zus opnieuw aangeklampt of hij alsjeblieft kon kijken naar haar zus. Nadat hij dit had gedaan kwam hij tot de slotsom dat de prognose erg slecht was en had ondersteunende maatregelen afgesproken.

Zijn vraag aan mij was of wij samen het begeleidende gesprek nogmaals konden voeren. Zijn eigen taalbarrière was te groot en het vertrouwen in de (leerling) verpleegkundigen te klein, om te vertrouwen op een goed gesprek. Vermoeid na een zware dienst gevolgd door een gewone werkdag, besloten we dat het beter was voor mij en de patiënte om het een dag uit te stellen tot goede vrijdag. Een nationale feestdag in Tanzania die ik eigenlijk vrij heb, maar waar ik bij voorbaat een mooie gelegenheid in zag een paar van mijn speciale, vaak lang liggende, patiënten in alle rust te zien.

Na twee heerlijke bakken koffie en een goed ontbijt ging ik tegen half elf naar de afdeling interne geneeskunde om samen met de coassistent zijn patiënte te zien. Toen ik daar aankwam bleek ik de oudere zus van de patiënte, een oud uitziende pittige dame van ongeveer 60,  al min of meer te kennen. Deze Afrikaanse moeke had mij meermaals hartelijk en op vaak komische wijze begroet wanneer ik de afdeling passeerde als ik van het ochtendrapport naar de verloskamers liep.

Doordat ik in mijn eigen tijd in het ziekenhuis was en geen verplichtingen had, kon ik in alle rust de patiënt analyseren en de nodige vragen stellen over het ziektebeloop. Terwijl ik hieraan begon richtte ik mij tot de patiënt en vroeg haar naar haar naam en hoe het met haar ging. Een vraag die ik in de drukte vaak vergeet te stellen. Dat patiënten hier ook niet aan gewend zijn bleek uit haar enigszins verwarde blik en dat ik de vraag moest herhalen voordat haar zus voor haar antwoordde.

Terwijl ik naast de patiënte op het bed zat ondervroeg ik met name de zus, die de regie duidelijk stevig in handen had. Vragen over het beloop van de ziekte, de medicatie die sinds opname wel of niet gebruikt was en wat de huidige problemen waren werden een voor een beantwoord. Af en toe richtte ik mij ook tot de ernstig verzwakte en vermagerde patiënte, die het allemaal oké vond wat wij bespraken.

Concluderend was de algehele conditie ondanks adequate behandeling van tuberculose flink verslechterd. Ze at nauwelijks, was ernstig verzwakt en kon sinds 2 weken niet meer zelfstandig overeind komen of lopen. Daarnaast had ze pijn bij het slikken, buikpijn en pijn in de genitale streek. Dit laatste was reeds bekeken door de coassistent, welke had vastgesteld dat er een abces zat.

De vraag of ze was afgevallen konden ze niet beantwoorden omdat het niet meer gewogen was. Dat moesten we dus even doen. De weegschaal werd snel tevoorschijn gehaald en de twee familieleden deden een poging de patiënte overeind te zetten. Nadat ik dit even aangekeken had, kon ik niet langer aanzien hoe de patiënte tegen heug en meug overeind gezet werd. Dus koos ik voor een pragmatischer oplossing, tilde de patiënte op en ging samen met haar op de weegschaal staan.

Toen ik de patiënte vervolgens voorzichtig op bed legde, zag ik tot mijn verbazing dat ze een traan in haar ogen had staan. Een uiterlijk vertoon van emotie of pijn wat je zelden ziet in Tanzania, waar emoties in stilte gedragen worden. Terwijl ik de rest van het lichamelijk onderzoek afwikkelde vroeg ik mij nog steeds verbaasd af of ik haar toch pijn had gedaan bij de exercitie van het wegen.

De diagnose abces kon ik bij het onderzoek direct bevestigen, dus verzamelde ik de spullen die nodig waren om het abces te ontlasten. Gewapend met een spatbril tegen spatten zette ik de verdoving, waarbij ze enkele kreten van pijn en onwillekeurige bewegingen niet kon onderdrukken. Voordat ik met het mes aan het werk ging, richtte ik mij tot de patiënte: “Het is heel belangrijk dat je nu niet beweegt, omdat ik een mes in mijn hand heb. Als je nu plotse bewegingen maakt is dat voor jou gevaarlijk, maar ook voor mij.”

De patiënte keek mij aan en wekte de indruk het begrepen te hebben en bewoog niet meer. Ook al had ze dat gewild, had ze dat waarschijnlijk niet gekund. Direct nadat ik dit had gezegd namen de twee familieleden haar benen beschermend in een houdgreep en werd herhaald wat ik had gezegd met nadruk op dat het gevaarlijk voor de dokter was. Er werd door iedereen instemmend geknikt en ik voelde me volledig veilig toen ik een flinke snee zette in het abces waarbij de patiënte doodstil bleef liggen, terwijl ze zacht kermde van de pijn.

Nadat het moeilijkste gedeelte achter de rug was ging ik rustig alles bespreken met de coassistent en maakten we een volledig behandelplan, gericht op vergroten van comfort maar vooral ook de overlevingskansen aangezien tijdens het gesprek was gebleken dat de patiënte pas een week in plaats van jaren AIDS medicatie gebruikte, waardoor ze plots een veel betere prognose had.

Het plan werd vervolgens uitgebreid door ons doorgenomen met de zus en de patiënte. Pijnstilling om de pijnen te verminderen, antischimmel medicatie tegen de keelpijn, Vitaminen en antibiotica voor de weerstand en de wondzorg. Een voor een bespraken we het en werden onze voorstellen aangenomen. Ook de maagsonde voor voeding wat veel patiënten uit angst of weerzin weigeren, werd door de patiënte graag geaccepteerd.

Bijna een uur nadat we binnen waren gekomen maakten we onder eindeloos veel dankbetuigingen aanstalten om naar de volgende patiënt te gaan. Bijna zou ik vergeten de patiënte die weer in stilzwijgen in bed lag op persoonlijke wijze gedag te zeggen. Dankzij de coassistent gaf ik haar toch nog een hand en zag ik weer de tranen in haar ogen staan en werd mijn eerdere vermoeden bevestigd dat het tranen van emotie waren en niet van pijn.

Ik vermoed dat de patiënte volledig overdonderd was door de uitgebreide tijd en aandacht die wij haar gaven. Een groot contrast met de gewone gang van zaken nadat zij 2 maanden in het ziekenhuis lag, waar artsen meestal 5 minuten tijd hebben voor een patiënt en hierdoor ziekte in plaats van patiënt georiënteerd zijn. Een “luxe” die ik ook vaak niet heb in de hoge werkdruk.

De reden dat ik deze ervaring zo bijzonder vind komt door de mix van emotie. Terwijl ik enerzijds het liefst thuis zou zijn om samen met Laura en mijn vrienden Paaspop te vieren, voel ik tegelijkertijd op indringende wijze hoe ik hier voor mensen een groot verschil kan maken. Een mooi gevoel om het paasweekend mee in te gaan.

304 totaal aantal vertoningen, geen vertoningen vandaag

Inmiddels ben ik zes weken in Sengerema en begin ik aardig te wennen aan mijn rol als tropenarts. De logistiek en organisatie gaan me steeds beter af en ik raak snel bekend met lokale gebruiken en richtlijnen, waardoor ik beter en sneller kan werken. Ondanks dat het de vijfde keer is dat ik in Sengerema ben, zijn veel van dat soort dingen nog lastig. Gelukkig leer ik vlot en heb ik er plezier in, waardoor het werken snel went.

Ook heb ik inmiddels met de meeste artsen en verpleegkundigen samengewerkt en heb ik het idee dat de mensen ook aan mij beginnen te wennen. Ik word vaker gevraagd bij moeilijke patiënten en waar ik eerder een sceptische blik kreeg als ik ongevraagd vertelde wat ik vond/wilde, lijken de verpleegkundigen nu een stuk meer geïnteresseerd in wat ik te vertellen heb. “Eerst zien en dan geloven” gaat hier net zo goed op als in Nederland.

Moeder en kind zorg

Alhoewel ik van tevoren had verwacht dat ik mij veel met chirurgie bezig zou houden, concentreren mijn dagen zich vooral op moeder en kind zorg. Deze keuze komt voort uit dat hier de grootste behoefte ligt en dat we als SVSH hebben gezegd dat ons focus de komende jaren op dit gebied zal liggen.

Dit houdt in dat ik het merendeel van de dag op de verloskamers ben waar 25-35 bevallingen per dag plaatsvinden en mij op de verloskunde afdeling ontferm over de zieke pasgeborenen. De laatste groep bestaat uit gemiddeld 20 prematuren die op één grote “prematuren kamer” liggen en 3 – 5 kinderen per dag die een infectie/meningitis hebben waarvoor zij antibiotica krijgen. Al met al een hoge patiëntendruk met bijpassende werkdagen van een uur of elf.

Zorg voor pasgeborenen

Deze activiteiten sluiten natuurlijk erg goed aan bij het project “Lucht voor Leven” waarvoor wij in november de Albert Schweitzer prijs hebben gewonnen. Het doel van dit project is terugdringen van sterfte aan de gevolgen van zuurstoftekort bij pasgeborenen. Dit willen wij bereiken door opleiden van lokaal personeel in de opvang van baby’s direct na de geboorte. Met behulp van materiële en financiële ondersteuning zullen wij het lokale personeel in staat stellen deze trainingen voort te zetten.

Alhoewel lucht voor leven heel makkelijk een op zich zelf staand project zou kunnen zijn vinden wij dat dit eigenlijk in het kader hoort van een bredere aanpak. Als je een goede eerste opvang hebt maar er wordt vervolgens niet naar een kind omgekeken (er zijn namelijk nog geen specialisten of artsen aanwezig voor dit werk) is de kans groot dat een kind in de dag erna alsnog overlijdt aan de gevolgen van zuurstoftekort, infectie of een epileptische aanval.

Daarom hebben we besloten om te proberen dit alles zoveel mogelijk als een geheel aan te pakken en willen we ook een soort neonatale “intensive” care unit (NICU) opzetten, met als doel dat ook na de eerste 10 minuten van het leven de zorg goed is. Dat het nodig is blijkt wel uit de statistieken van het ziekenhuis, want in 2013 ging 2% (200 baby’s) dood in de eerste maand of werden ze doodgeboren.

Wind in de rug
Dat het een ambitieus plan is wist ik al voordat we de prijs wonnen. Met dit soort projecten kun je volgens mij nooit van tevoren zeggen hoe het gaat lopen en kan het zowel enorm meevallen als tegenvallen. Tot nu toe (prijs de dag niet voor hij om is) lijkt alles op het eerste uit te komen. Omdat ik een hekel heb aan lange opsommingen heb ik de meevallers maar samengevat in het tekstvlak hiernaast.

Naast deze belangrijke meevallers bleek ook nog dat Renske van den Elzen mij 3 weken komt helpen, welke er inmiddels bijna op zitten. Deze vriend van Sengerema zat in 2011 als coassistent hier en heeft 3 jaar in de kindergeneeskunde gewerkt. Zij helpt mij met onderwijs en ontwikkelen van locale protocollen.

De eerste training

Al deze meevallers  hebben ervoor gezorgd dat we afgelopen week samen met de lokale trainers van het “Helping babies breath” programma op donderdag en vrijdag al twintig mensen hebben getraind. Ruim 3 maanden eerder dan ik had durven hopen.

De training werd door mij en Renske gegeven samen met Caroline (arts) en Kagimbwa (verloskundige). Na een korte introductie door mij in het Swahili over wat zuurstoftekort inhoud en waarom het belangrijk is om snel te handelen, werd de les overgenomen door deze Tanzaniaanse collega’s. Uit de presentaties die volgden bleek al snel dat ze ervaring hadden met deze stof, want er volgde een interactieve presentatie met mooie demonstraties waarin moeiteloos een aantal dingen uit mijn presentatie werden verwerkt.

In de scenariotrainingen die volgden, kreeg iedereen de kans om het geleerde in de praktijk te brengen. De materialen zijn nog niet optimaal, maar voor een eerste basis meer dan voldoende. Tijdens deze scenario’s waarbij we telkens verschillende praktijkvoorbeelden gebruikten, kwam iedereen om beurten naar voren om een kind geboren te laten worden en met masker en ballon te beademen. Vaak ging dit gepaard met een schaterlachende groep “studenten” omdat veel mensen onhandig werden onder de druk, tot groot vermaak van de rest.

Drie uur na het begin van de training sloot Renske het trainingsgedeelte af met een laatste presentatie in het Engels met een samenvatting van het geleerde. Bij de woorden dat een opvang erg lastig is en dat het tijd kost om goed te leren werd er instemmend geknikt. Voor mijn gevoel begrepen ze goed dat het leren pas echt begint in de praktijk. Gelukkig kan ik ze daar ook bij helpen.

Eigen ervaring

Inmiddels kan ik ook uit eigen ervaring vertellen hoe groot de noodzaak is. Terwijl ik als groentje begon aan deze taak, voel ik me inmiddels bijna thuis aan de reanimatietafel. Op die plek heb ik inmiddels meer dan tien keer geprobeerd een pasgeborene (nieuw) leven in te blazen met een beademingsmasker. Gelukkig in de meeste gevallen met succes.

Zo ook afgelopen vrijdag toen ik na de cursus door een coassistent naar een bevalling werd gebeld, waar een verloskundige bijstond die de dag ervoor bij de training was. De moeder die thuis al 8 kinderen heeft, deed lang over het laatste stuk van de bevalling. Op het moment dat ik hoorde dat de hartslag van de baby te laag was deed ik wat ik de dag ervoor uitgelegd had; alle spullen klaarleggen voor een reanimatie en in de buurt blijven zodat ik kon helpen.

Omdat de baby niet snel genoeg geboren werd besloot ik om te helpen met een vacuümpomp, waarna de baby vlot geboren werd. Dat was maar goed ook, want de baby was zo slap als een vaatdoek en ademde niet. Gelukkig kon ik de baby goed opvangen en ademde hij na tien minuten zelfstandig en kon ik hem na een uur alweer bij moeder op de borst leggen.

Dat vind ik mooi aan de specialisatie die ik heb gedaan; doordat ik ervaring heb in kindergeneeskunde en gynaecologie kan ik het proces beter begrijpen en op beide vakgebieden ingrijpen als dat nodig is. In het komende jaar hoop ik samen met het lokale personeel en SVSH over het hele traject verbeteringen te bereiken met als doel dat de babysterfte en moedersterfte afneemt. 

412 totaal aantal vertoningen, geen vertoningen vandaag

Na 3 jaar is het grote moment aangebroken. Nadat ik onder toeziend oog van Nederlandse specialisten de meest essentiële kennis en vaardigheden heb geleerd op het gebied van kindergeneeskunde, chirurgie en gynaecologie, is de tijd aangebroken dat ik deze kennis in de praktijk ga brengen in Sengerema.

4 januari vertrek ik naar Sengerema om daar te werken als tropenarts. Helaas kan Laura (mijn vrouw) niet mee en zullen we het een jaar zonder elkaar moeten doen. Gelukkig komt ze me vaak opzoeken en met moderne communicatiemiddelen is de afstand uiteindelijk kleiner dan het lijkt.

In het ruime jaar dat ik daar zal gaan werken zal ik veel van mijn tijd als arts actief zijn.

Veel van wat ik daar doe en beslis zal ik zelfstandig moeten doen, maar gelukkig ken ik de plek goed en weet ik ook dat er altijd mensen klaar staan om mij te helpen wanneer dit nodig is. Ik kijk er enorm naar uit om alles wat ik geleerd heb in de praktijk te gebruiken om de patiënten van het ziekenhuis in Sengerema te helpen.

Naast het werk als arts ben en blijf ik natuurlijk ook actief voor Stichting Vrienden Sengerema Hospital. Afgelopen jaren hebben we met zijn allen hard gewerkt om een succes te maken van de stichting en naar mijn mening is dat goed gelukt. Het ziekenhuis knapt zichtbaar op met onze projecten en ik verheug me erop om te zien wat de effecten zijn in de dagelijkse praktijk.

Tijdens het komende jaar gaan we verschillende nieuwe projecten starten, waarbij ik een belangrijke rol zal spelen omdat ik in Sengerema zit. Een daarvan is het verbeteren van de opvang van pasgeboren baby’s, waarvoor we inmiddels ook (weer) zijn genomineerd voor de Albert Schweitzerprijs!

Al met al denk ik dat het een erg druk en vol jaar wordt met veel nieuwe indrukken en mooie uitdagingen in het vooruitzicht!

 

392 totaal aantal vertoningen, geen vertoningen vandaag